
I.M. Jan Cremer (1940-2024)
Als mijn vader niet keek, lichtte ik als puber Ik Jan Cremer uit zijn boekenkast en las het met rode oortjes. Ik was niet de enige: van deze door hemzelf ‘onverbiddelijke bestseller’ genoemde, rauwe autobiografische roman (1964) werden alleen al in ons land zo’n miljoen exemplaren verkocht.
Al moet ik hem wel eens gezien hebben tijdens mijn stage op het uitgeverskantoor van Peter Loeb, die als kleurrijke aanvulling op het hoofdoeuvre bij De Bezige Bij verschillende boeken en boekjes van Cremers hand het licht liet zien (zoals de novelle Sneeuw), ik sprak hem pas in de zomer van 2022 op de herdenkingsdienst bij het overlijden van zijn vriend Remco Campert. De eerste en enige echte rock ’n roll-schrijver van Nederland, bleek een buitengewoon attente man, meer een luisteraar dan een spreker. Ik dacht, kijkend naar zijn markante, voor eeuwig jeugdige gezicht: die wordt minstens zo oud als Campert. Maar er kwam onverwachts een einde aan het ongekend kleurrijke leven van de schrijver-schilder, die vele uren doorbracht op onze sociëteit, door hem in Ik Jan Cremer II (1966) ‘De Cirkel’ genoemd, ‘verzamelplaats van het Kunstgespuis en Aanverwant Addergebroed’.
Nog twee jaar daarvoor, schrijft Annemiek Hendriks in haar In intieme kring (2007), ‘wrong Cremer zich per brief aan het bestuur nog in allerlei bochten om het net verworven lidmaatschap niet te verliezen, nadat hij vechtend aan de Kringbar was betrapt.’ Ze voegt hier direct aan toe: ‘Maar geen kwaad woord over Jan Cremer. Hij is een van de weinige leden die, in de betreffende brief, het adres van De Kring correct spelt: Kleine-Gartmanplantsoen 7-9, met een streepje tussen “Kleine” en “Gartman”.’
Cremer moet een haat-liefde-verhouding met De Kring gehad hebben; liefde omdat hij er tot op hoge leeftijd met zijn Babette nog regelmatig op de dansvloer te vinden was, ‘haat’ omdat hem, in die roerige jaren zestig, van alles ook stoorde:
‘Twee kale lokalen met ouwe bruine keukenstoelen en banken langs de kant, een biljart in het midden, een halfvergane juke-box van vlak na de oorlog met alleen maar leuke “swingende jazzplaatjes” (want daar houden de Kunstenaars zo van, jazz, man, jazz) en een paar per ongeluk er in terechtgekomen singeltjes van Fats Domino en Paul Anka.’
Niet alle schrijvers, waarvan velen zoals hij bij De Bij publiceerden, waren dol op hem, en vice versa. Cremer noemde Mulisch ‘De Verneukte Neus’, en diens vriend Jan Hein Donner ‘De Verkeerd Uitgepakte Gehaktbal’.
The roaring sixties!
Decennia later was Cremer letterlijk maar ook in de geest nog steeds indringend aanwezig. Harry de Winter, net als Cremer een legende die je tot aan zijn ongeneeslijke ziekte onsterfelijk achtte, kwam midden jaren negentig zijn revitaliserende rol spelen op De Kring en verklaarde zijn motivatie kortweg met deze woorden: ‘Jan Cremer was mijn held’.
Dat was hij ook voor de hoofdredacteur van de Kringkrant, Ad Fransen, die in nummer 2 een artikel wijdde aan het fraaie boekwerk Icoon. De geschiedenis van ‘n onverbiddelijke BESTSELLER (2023). Fransen citeert The New York Times, die Cremer typeerde als ‘de onwettige zoon van Louis-Ferdinand Céline’. Cremer zelf was zich van deze literaire relatie niet bewust: ‘Ik heb altijd gedacht dat Céline waspoeder was.’
Icoon (i.s.m. Onno Blom) brengt die hele onstuimige wording van Cremers eerste bestseller in kaart (waarop vele boeken zouden volgen), een uitgeefgeschiedenis die later talloze uitgevers inspireerde tot vormen van marketing die verder gaan dan het rondsturen van recensie-exemplaren.
Ik moest zelf vaak aan Cremer en zijn grote rol in het verkoopsucces denken toen ik Komt een vrouw bij de dokter uitgaf. Steeds als ik vreesde dat Kluun in zijn reclameplannen voor zíjn debuut te ver ging, hield ik mij de onenigheden maar vooral het vruchtbaar gebleken samenspel voor ogen van Cremer met zijn uitgever Geert Lubberhuizen. ‘We mogen onze handen dichtknijpen als we die 5000 exemplaren [van de eerste druk, JN] in twee jaar verkopen,’ zei de ervaren uitgever. Cremer had er liever meteen 50.000 gedrukt. De eerste voorzichtige druk was na een week uitverkocht. ‘Jan Cremer,’ schrijft Fransen, ‘kwam, zag en overwon, net als nog zo’n fameuze JC, Julius Caesar.’
Dat zal Cremer een passender vergelijking gevonden hebben dan met die andere JC, Jezus Christus; want al hoorde bescheidenheid vooral bij de jonge Cremer niet tot de basiseigenschappen, als De Verlosser zal hij zich nou ook weer niet gezien hebben.
Ook mijn vrouw Maaike Pereboom, die met haar vorige man Joost Zwagerman wel eens, thuis bij Campert, in vrolijk gezelschap verkeerde van Cremer en Babette, herinnert zich vooral diens bescheiden, luisterende kant. En bleek ontroerd door deze uitspraak in de Volkskrant van Cremers vriend Klaas Gubbels:
‘Nog geen twee weken geleden sprak ik hem voor het laatst. Hij was ziek. We hebben samen tot tien geteld. Meer kon niet. Daar moest ik van tranen.’
Joost Nijsen
Voorzitter Bestuur De Kring


