Column | De Oefenman

Publicatiedatum originele bericht: 7 februari 2022

Door Marjoleine Oppenheim

We vroegen Kringleden om herinneringen rond de afgedankte sigarettenautomaat en kregen deze prachtige column. Hoe vind je op vrijdagavond als gescheiden vrouw een geschikte danspartner op De Kring? ‘Hij bewoog leuk, niet te snel en met een acceptabel ritmegevoel. Er was oogcontact.’

Tweeëntwintig jaar geleden verbrak m’n vriend onze relatie en na een droevige tijd durfde ik zomaar op een vrijdagavond weer te gaan dansen op De Kring.

Ik had een beetje m’n best gedaan om iets leuks aan te trekken. En ja, daar stond ik dan, licht ongemakkelijk aan de bar. Realiseerde me dat het best ingewikkeld was en eigenlijk helemaal niet zo leuk om zo na een jarenlange relatie rond te kijken met een niets-aan-de-hand blik richting dansvloer. Op zoek naar een geschikte oefenman.

Want aan een echte was ik natuurlijk nog niet toe. Eerst maar eens ontdekken of er überhaupt nog iets aan te zwengelen was in het geheel dat mijn lijf was en dat sinds kort te kennen had gegeven dat het aangezet moest worden; zelf doen was niet afdoende meer. ‘Het’ wilde voelen en aangeraakt worden, tot leven gebracht. In de verte gloeide het. Er klonk een discohit.

Ergens op de dansvloer, goed gevuld met de uitbundig dansende usual suspects, spotte ik een slanke man van gemiddelde lengte. Hij danste alleen en oogde oké: spijkerbroek, overhemd met opgerolde mouwen. Hij had donker sluik haar en een geprononceerde neus. Je ziet dit type man wel bij strandtent Tijn Akersloot op Zandvoort; ze hebben vaak een zuidelijk zangerig accent en zo nu en dan valt het woord houdoe.

Hij bewoog leuk, niet te snel en met een acceptabel ritmegevoel.
Er was oogcontact. Ah, dacht ik, en toen: Jezus, wat nu? De man danste nu mijn kant op en stopte voor me. ´Zin om te dansen?’ vroeg ie. Keigoeie opening.

Ik vond het prettig dat ie niet direct opdringerig zijn arm langs me op de bar had gelegd. Zo’n mannen-van-een-zekere-leeftijd dingetje.  

‘Graag’, antwoordde ik en leegde m’n glas wodka-jus. Beetje moed indrinken.

We dansten. Of eigenlijk zag ik mezelf dansen door zijn ogen. Ik miste het elan van een vrouw die zich goed voelt. Dat moest zichtbaar zijn. Ik rechtte mezelf. Het was vrijdagavond en na middernacht. Dan geldt de ongeschreven code dat je iets wil van iemand of met iemand, of dat je te aangeschoten bent om je van de bar los te rukken, of dat je het echt goeie dansmuziek vindt en je niet van de dansvloer af te krijgen bent, of dat je op de wc zit en de deur niet meer open krijgt omdat je te stoned bent om de logica van het deurhaakje te doorgronden, of dat je op de bank langs de muur  slash aan de bar met een vriend slash totaal onbekende nieuwe vriend de wereld van vandaag tot morgen doorneemt aan de hand van de bekende thema’s, die erop neerkomen dat we het er nog eens over moeten hebben op een ander slash minder onbegrijpelijk voor de ander moment. Al deze informatie uit betrouwbare bron.

I can’t get no satisfaction stierf weg. Hij vroeg of ik iets wilde drinken.

´Ik haal het wel, zei ik, wat wil jij?’ Ik had plotseling behoefte om even na te denken. ‘Niet teveel nadenken, da’s onverstandig’ , zei het lijf, gewoon doorgaan, beter wordt het niet vanavond en je ex komt ook niet terug’. ‘Da’s waar’, dacht ik, en zuchtte. Met de ex in kwestie had ik prettig kunnen vrijen. Niks wilds, niets spannends, maar ik kwam wel fijn iedere keer aan m’n trekken, want hij had een goeie techniek en ik vrij bovendien nu eenmaal liever exclusief met een geliefde. Vanavond hing de ex nog ergens in me. Dus wilde ik bij nader inzien naar huis. Gewoon, even efficiënt zelf doen en dan lekker slapen. ‘Begrijpelijk dat je naar huis wil’, zei de man met het sluike haar, ‘welke kant fiets je op?’

Hij ook toevallig. We vertrokken samen. Natuurlijk kreeg ik m’n slot niet snel genoeg open, bleef m’n jas in een spaak hangen en raakte ik in no time geestelijk uitgeput van mezelf. De houdoeman fietste op. Hield mijn tempo aan (sloom), hield het gesprek gaande (haperend) en zoende me toen volkomen onverwacht onder het Rijksmuseum. Dat had direct effect: het was alsof ik in brand stond.

‘Waar woon je?´, vroeg ik. Ietsje verderop bleek. Daar parkeerden we onze fietsen. Zonder te spreken.

‘Kom maar’, zei hij dan toch. En stak de sleutel in het voordeurslot. Dat was opwindend. Omdat het er lekker uitzag, want hij duwde even met zo’n korte heupbeweging de iets klemmende voordeur open. Hij liet me voorgaan en pakte m’n schouders, duwde zich tegen me aan in het halletje. Ik probeerde niet eens meer om de vestibuledeur open te doen en draaide me om. We zoenden even.

Het halletje bleek groot genoeg. Misschien, bij nader inzien, was er niet eens een vestibuledeur. In ieder geval was er precies ruimte genoeg om daar, ter plekke, zijn riem open te maken, z’n broek open te knopen, mijn broek uit te doen, zijn trui half uit te trekken, mijn truitje en mijn bh over m’n hoofd uit te trekken, daarna zijn pik in m’n mond te nemen om hem daarna klaar, warm en stijf in me te schuiven toen ik op hem zat of hij op mij lag, ik zou het echt, echt niet meer weten. Feit is dat een oefenman er is om dat op te vullen dat leeg is en dat er daarna een verbinding ontstaat tussen uit en ellendig en nieuw, opnieuw, vers leven. Ik kwam klaar. Hapte naar adem, en het duurde lang. Zo’n hoog plateau en dan een langzame afdaling. Hij kwam ook. We lagen daar samen. Dat was heerlijk, zei ik en begon te neuriën, zocht m’n bh en trok m’n truitje aan, daarna m’n broek en schoenen. Hij keek geamuseerd, op de grond op z’n rug in het halletje achter de voordeur. ‘Ik ga’, zei ik. ‘Ja, dat blijkt’, zei hij. Hij maakte geen aanstalten op te staan. Het halletje was wat verveloos zag ik.

‘Dag’, zei ik, ‘tot ziens’ en trok de voordeur open. Het was nog donker buiten. En prettig fris. Had ik lang niet gevoeld.