In Memoriam: Peter Faber (1943–2026)

(C)Jos van Zetten

Door: Jesse Faber

Afscheid van de trap, niet van de Kring

In 2023 zegde Peter na eenenveertig jaar zijn lidmaatschap op. Niet omdat hij op De Kring was uitgekeken, maar omdat hij die trap niet meer wilde trotseren. Wegblijven deed hij niet: hij kwam mee als mijn introducé en klom alsnog. Zijn lidmaatschap kon hij opzeggen, zijn band met De Kring niet.

Lid werd hij in 1982, toen hij al een van de bekendste gezichten van de Nederlandse film was. Hij speelde in Keetje Tippel (1975), had de titelrol in Max Havelaar (1976) en was te zien in A Bridge Too Far (1977); de blockbusters Ciske de Rat en Schatjes! moesten toen nog komen. Hij speelde zoals hij zelf ook was: direct, ongekunsteld en zonder veel opsmuk. Wie hem hier aan tafel heeft meegemaakt, weet dat er weinig namaak aan hem was.

Noord gestoord

Dat er van die straatjongen uit Amsterdam-Noord ooit iets terecht zou komen, geloofde vrijwel niemand. Hij werd in 1943 geboren in het Duitse Schwarzenbach an der Saale, als zoon van een Nederlandse arbeider en een Duitse moeder, en groeide op in Tuindorp-Oostzaan. Op zijn katholieke school zei een van de paters tegen hem: “Faber, jij komt uit Amsterdam-Noord, Noord gestoord, daar is nog nooit iets goeds vandaan gekomen. Faber, jij bent niks, jij kan niks en jij wordt niks!”

Kort daarna liep Peter van school weg. Hij wilde als verstekeling mee de wilde vaart op, maar zover kwam het niet. Een kapper wees hem op een advertentie van het openluchttheater in Tuindorp-Oostzaan; hij meldde zich aan en kreeg een rol in Een midzomernachtsdroom. Op het toneel vond hij wat hij tot dan toe had gemist: een plek waar hij zich thuis voelde. En daar wist hij het: hij wilde acteur worden.

Daarna volgde hij de mime-opleiding en sloot hij zich aan bij pantomimegezelschap Carrousel; woordeloos, fysiek spel zou hem zijn hele carrière blijven kenmerken. In die jaren leerde hij Matthijs van Heijningen kennen, die clown wilde worden.

In 1970 was Peter medeoprichter van Het Werkteater, een collectief dat bewust zonder regisseur en dramaturg werkte en het theater buiten de schouwburg bracht: naar scholen, verpleeghuizen, psychiatrische inrichtingen en gevangenissen. In 1975 weigerde hij de Louis d’Or voor zijn rol in Avondrood, omdat een individuele bekroning niet paste bij de overtuiging van de groep. Pas in 1991 nam hij de prijs alsnog aan, voor Het Koekoeksnest. Daarna bleef hij decennialang actief: hij maakte eigen voorstellingen, gaf les en stond tot op hoge leeftijd voor de camera. Zijn laatste film was Sweet Dreams (2023), waarin we samen speelden.

Een vrijplaats

De Kring was voor Peter bovenal een plek waar hij vrij kon zijn. Niet wat je deed of hoe bekend je was telde daar, maar wie je was. Hij mocht er graag eten, dansen en sjansen of doorzakken na de voorstelling. De mensen uit de film- en theaterwereld waren voor hem meer dan collega’s: hij beschouwde ze als familie, en De Kring als het clubhuis waar iedereen zichzelf kon zijn. Hij was een volstrekt onafhankelijke geest die zich nergens naar voegde, en misschien juist daarom werd hij hier geaccepteerd en gerespecteerd.

Een hoogtepunt was de 80ste verjaardag van Matthijs van Heijningen in 2024 — de vriend uit zijn mimejaren, met wie hij later vele films maakte. De halve filmwereld was erbij en Peter was zichtbaar ontroerd om iedereen daar weer bij elkaar te zien. Hij sprak Matthijs persoonlijk toe en droeg hem een liefdessonnet van Shakespeare voor. Juist dát was voor Peter de vrijheid van De Kring: zijn wie je bent, tussen de mensen met wie je je leven hebt gedeeld.

De Peter Faber Stichting

In 2008 richtte hij de Peter Faber Stichting op, met als doel mensen, ongeacht afkomst, achterstand of beperking, de stap te laten maken van destructieve naar creatieve energie. Wat die pater ooit tegen hem zei, is hij nooit vergeten. Peter draaide het om en maakte er zijn lijfspreuk van: “Ik kan het, ik wil het, ik doe het NU!”

Vanuit de stichting werkten we veel samen in gevangenissen. Peter genoot daar enorm veel respect. Veel gedetineerden zagen in hem bijna een vaderfiguur, juist omdat hij hen niet benaderde vanuit wat er mis was gegaan, maar vanuit wat er nog mogelijk was. Hij kwam binnen zonder oordeel of afstand en sprak met een gedetineerde net zo makkelijk als met een minister of koning.

Die verschillende werelden bracht hij ook op De Kring bij elkaar. We namen weleens ex-gedetineerden mee om boven te eten en hielden er ieder jaar het bestuursdiner van de stichting, waarbij mensen met heel verschillende achtergronden aan dezelfde tafel terechtkwamen. Precies waar het Peter om ging: mensen bij elkaar brengen die elkaar anders misschien nooit zouden ontmoeten.

De laatste acht jaar van zijn leven schilderde Peter veel: grote, kleurrijke en uitgesproken vrolijke doeken die hij zelf zijn vitaminepillen noemde. Ook daarin zat diezelfde levenslust en energie. Hij exposeerde zijn werk en de opbrengst van zijn kunstwerken ging naar de Peter Faber Stichting.

Nieuwsgierig tot het eind

Eind juni voelde Peter zich niet lekker. Een griepje, dacht hij zelf. Het bleek een ontsteking op zijn hartklep, acht jaar nadat die bij een zware operatie was vervangen. Opnieuw opereren was geen optie meer. Bang was hij niet. Hij was eerder benieuwd naar wat er daarna zou komen.

Een van zijn laatste uitspraken was: “Ik heb nog steeds plezier in alles wat ik doe.” Dat typeerde hem misschien nog wel het best. Zo had hij tweeëntachtig jaar geleefd: nieuwsgierig, met plezier en altijd alweer bezig met het volgende. Op 6 augustus 2026 overleed hij, omringd door zijn familie, in het OLVG Oost. We namen afscheid in Het Zonnehuis in Amsterdam-Noord, op hetzelfde podium waar hij als zestienjarige voor het eerst had gestaan.

Op De Kring blijft hij de man die zijn lidmaatschap opzegde en toch elke keer weer die trap bleef beklimmen.