De Muur | ‘Ik hou van die mooie groene ogen’

Publicatiedatum originele bericht: 17 maart 2022

In de rubriek De Muur vertellen Kringleden over hun kunstcollectie. Annemarie Oster interviewt, Hans Brinkman fotografeert. Deze keer zijn ze te gast bij Hans Vos. Een knappe, leeftijdsloze man met stiekem een edele inborst! ‘Sorry dat het nooit eens normaal kan.’

Portret van een BB-achtig meisje door Nol Molenaar. Let op de ogen!

Vandaag zijn wij, Hans Brinkman (vliegende fotograaf) en ik (razende reporter), benieuwd naar de kunstcollectie van Hans Vos. Maar ook naar Vos zelf. Op het eerste gezicht wekt de witgelokte, maar verder leeftijdsloze advocaat de indruk liever niet al te veel over zichzelf prijs te geven. Hopelijk straks wel over de kunst aan de wanden van zijn grachtenhuis!

Vos is mede-Kringlid. Geregeld is hij te zien aan een van de restauranttafels in het lachgrage gezelschap van disgenoten van het mannelijk geslacht. Ook op Hans’ effen gezicht gloort af en toe een glimlach. Maar doorgaans zit hij er met licht gebogen hoofd en neergeslagen ogen bij, af en toe opkijkend om met vluchtige blik de omstanders te observeren.

Hij doet me denken aan zo’n jongen uit de hoogste klas van de middelbare school. Ook die keurden hun medescholieren nauwelijks een blik waardig, zeker niet die uit de lagere klassen, laat staan die van de andere kunne. Zo’n jongen met een tennisracket onder zijn arm, die er altijd frisgewassen uitzag, ook als hij dat niet was, in precies de juiste outfit, en met heel andere dingen aan zijn hoofd dan – ik noem maar iets geks -meisjesmuizenissen, zoals verliefdheden, gedichten, romantiek… Die wel alles wist van muziek, sport en opgevoerde brommers, ‘Puchs’ of hoe die dingen ook heetten. Zo’n jongen die was voorbestemd jarenlang zo’n jongen te blijven, ook als hij tegen de zestig liep. Zo’n jongen die altijd getrouwd bleef met dezelfde vrouw.

En ja hoor, Hans Vos is al 33 jaar in de echt verbonden met Nanette, officier van justitie, ooit voorzitster van De Kring. Haar speech op tafel, de mooie benen in hotpants, zal ik niet licht vergeten. Al was het maar uit jaloezie. Ook heeft het echtpaar, zoals je dat ook wel aantreft in Amsterdam-Zuid, niet twee, maar drie kinderen. En wat is hij knap met dat haar en zo! En nog advocaat ook! Pro deo! Dus iemand met stiekem een edele inborst.

Hans leidt Annemarie rond in zijn huis vol kunst.

Eerst marktkoopman ‍

Wij bellen aan op de Prinsengracht. En wie staat daar inde deuropening? Een vriendelijk lachende gastheer. Geen misprijzende jongen uit de zesde, maar een bereidwillige interviewee. Tijdens de door hemzelf toegewijd bereide cappuccino vertelt hij, nu niet meteen honderduit maar redelijk geanimeerd, dat hij voor de advocatuur tal van andere beroepen heeft uitgeoefend.

Hans Vos: ‘Toen ik was afgestudeerd, werd ik eerst marktkoopman, daarna kocht ik een winkeltje in tweedehandskleren ‘Zilch’ (‘Zielig’ in Amsterdam). Die winkel heb ik dan ook weggegeven. Toen ben ik naar Italië vertrokken om uit te vinden wat ik met mijn leven aan moest. Nou, daar kwam weinig van terecht; toen ik terugkwam, wist ik het nog steeds niet en bovendien had ik geen geld meer. Maar toch opende ik weer een winkel, ditmaal in eerstehandskleren. Maar dat gaf ook veel gelazer: failliet en zo. En ik ben ook nog, tegen wil en dank, chef van een fancy herenmodezaak geweest. Daarna werd ik antiquair en ten slotte veilinghuishouder.’  

Allemaal goed en wel, maar je hebt toch ook columns geschreven?

‘Ja. Voor Esquire, Playboy en NRC Handelsblad.’
En een paar verhalenbundels het licht doen zien. Ik denk hierbij vooral aan (omdat ik het heb gelezen) Een fantastische tijd. Dagboek van een meereizend diplomaat. De titel is, zoals dat van iemand als Vos te verwachten valt, ironisch. In dit vermakelijke, af en toe ontroerende verslag voert schrijver Vos zichzelf op als een mengeling van onwillige prins-gemaal, zachtmoedige hondenliefhebber en huisman alias kunstenaar-van-de-koude grond. Een antiheld, die zich in het kielzog van zijn daadkrachtige vrouw met moeite staande houdt in een weinig gastvrij Parijs. Niks olala, niks ville lumière.

Want waar Vos’ echtgenote Nanette, (in het boekje bijgenaamd ‘De Regering’) een baan heeft verworven die er niet om liegt: ‘Conseiller de la Securite et de la Justice/Magistrat de Liaison’, bungelt haar man er zo’n beetje bij. Vanwege zijn escapistisch gedrag op bijeenkomsten en feestjes maakt Nanette hem geregeld uit voor klootzak of eikel.

Verder slijt hij zijn dagen in ledigheid. Tot hij, zoals hij dat sinds zijn jeugd heeft gedaan, weer aan het schilderen slaat. En daarvan plukken wij nu de vruchten. Afgezien van andermans kunstwerken, hangt Vos’ grachtenhuis – waarvan de voorkamer vanuit drie ramen een riant uitzicht biedt op een wirwar van grachten en een keur aan pittoreske gevels – vol eigen schilderijen (acryl).

Portret van Vos’ moeder als jonge vrouw, door Nol Molenaar.
Wat doe je het liefst? Schrijven of schilderen?

‘Ik vind schrijven wel wat eenzamer. Schilderen en tekenen doe ik echt voor mijn plezier.’ Dat is duidelijk te zien aan Hans’ schilderijen van zijn hondjes waar het plezier van afstraalt. Op die hondjes komen wij later uitgebreid terug.

Zijn andere werken ogen abstracter, althans op het eerste gezicht. Aan het tweede kom ik niet toe, zoveel hangt er aan de wanden van het ruim bemeten huis. Bovendien heb ik weinig tot geen verstand van non-figuratieve kunst. Hans Brinkman wel, maar die is dan ook galeriehouder geweest.

Gelukkig hangt in de gang een groot figuratief portret van Vos’ moeder als jonge mooie vrouw. ‘Ja, dit is wel mijn lievelingsschilderij. Het is gemaakt door een dorpsgenoot van mijn moeder. Hij woonde in Baarn in dezelfde laan als zij. Nol Molenaar. Een jaar of tien geleden bleek dat zijn zoon nog een paar doeken had liggen en die heb ik toen ook maar gekocht en zo’n beetje om mijn moeders portret heen gehangen. Dat is er een langs de Eem, in Eemnes. Die Molenaar heeft een tijdje bij De Ploeg gezeten.’

We gaan terug naar de woonkamer.

Die bloemen boven de schouw?

‘Ook van Molenaar.’
En als we stuiten op een portret van een Brigitte Bardot-achtig meisje: ’Ook. Onze kinderen vinden het afschuwelijk. Maar ik hou van die mooie groene ogen.’

En die tulpen?

‘Van mij. En deze ook, van onze zoon Peter, met een van de hondjes.’

Wand met schilderijen van Hans zelf, met onder andere hondje Charly.

We dalen af naar een lager gelegen soort bijkamer aan de achterkant, op het noorden.

Er hangt hier, behalve veel kunst, een heel andere sfeer.

‘Ja, de voorkant van ons huis is 17e-eeuws en deze achterkant 19e-eeuws. Dit gedeelte is aan het onze vastgemaakt.’

Van wie zijn die portretten van je dochters?

‘Nu eens niet van mij, maar van Peter Donkersloot. Maar deze weer wel.’ Hij wijst ons op een schilderij van een afbrokkelende bunker in de buurt van Bordeaux: Cap Ferret. ‘Zie je hoe die bunker bijna de zee in kukelt? Die is onderdeel van de Atlantic Wall.’

En nu zijn we weer bij de hondjes beland. Dit is, was…

‘Charly, ja, in de hondenhemel nu. En die andere ook, haar kind Puck.’ Charly, die ook op de omslag van Vos’ Parijse boekje prijkt, had, vertelt Hans, met nauwelijks onderdrukte vertedering ‘driebijnamen: ‘Kippens’, ‘Worsten’ en ‘Worst.’ Puck gek genoeg niet een, behalve als hij van de kapper kwam: ‘Piekfijn Heertje’.

Annemarie kan er geen genoeg van krijgen.

Twee clowns

Naar aanleiding van dit tweetal memoreert onze gastheer de reactie op zijn boek van een van de advocaten en tweelingbroers Anker, bij wie hij een paar jaar geleden op Schiermonnikoog een cursus strafrecht volgde.

‘Om punten te halen, want dat moet je als advocaat. Mijn vrouw had een exemplaar van Een Fantastische Tijd met Charly op de cover aan Willem Anker gegeven. Zonder een letter in het boek gelezen te hebben bestelde hij er onmiddellijk tien bij. Waarschijnlijk voor het hele kantoor. Om te laten zien dat advocaten niet alleen…  

Afijn, een jaar later, toen ik weer op cursus ging, kwam hij zichtbaar ontroerd naar me toe en zei: “Even over dat boekje, ik heb het gelez’n. Dat het jongste hondje Puck dood ging, dat vond ik heel erg, maar dat die Charly op het eind ook nog dood ging, dat vond ik echt verschrikkelijk.” En hij pinkte een traan weg.

Als die Ankers college gaven was dat een hele show. Twee clowns. Leuker en beter dan cabaret. Ik heb meestal de grootste moeite om drie uur college te volgen, maar bij de Ankers verveelde je je geen seconde. Jammer dat ze ermee zijn gestopt. Ja, en dan logeerden we ook nog eens bij hotel Vander Werff op Schiermonnikoog. Daar zaten mensen uit Groningen, Friesland en heel veel Amsterdammers. Feest.

Willem Anker is dol op dieren. Zijn vrouw heeft een boerderij in Friesland met een opvang voor sieke dier’n. Een kreupel paard en een koe die niet meer kon kijken, een zielig schaap.
Jammer dat er niet meer van zulke mensen zijn.’

Dit zou een mooie laatste zin zijn, ware het niet dat op dit moment een – springlevend – hondje binnenstuift.

Wat is dit er voor een?

‘Hij is van heel lage komaf: een vuilnisbakje.’

Hoe heet hij?

‘Eddy.’

Nog een bijnaam?

‘Drie. Edde, Etse of Klein Odsie. Sorry dat het nooit eens
normaal kan…’