Kringprent van fotograaf Nico Koster

Een iconisch beeld: John en Yoko op bed in het Hilton hotel, protesterend voor vrede. Deze wereldberoemde foto van Nico Koster is de nieuwe kringprent.

Door: Thessa van der Voort  

Mijn lens is venster, vergrootglas en verrekijker tegelijk op een wereld die voortdurend verandert

Nico Koster werd 18 oktober 1940 geboren in de Transvaalstraat 46 in Amsterdam Oost. Een doodgewone Amsterdamse jongen, in de traditie van al die andere in Oost geboren jongens, zoals Karel Appel, Johan Cruijf, Pietje Keizer en Sjakie Swart.

Nog haarscherp staat hem voor de geest hoe de joodse familie van tweehoog werd afgevoerd en hij van de vader des huizes het speelgoed van hun zoontje kreeg. Het bombardement op de Gasfabriek in Amsterdam-Oost is nog zo’n herinnering uit de oorlog. Een gigantische fik was dat in de ogen van de kleine Nico. Van de bevrijding herinnert hij zich vooral de bananen, pinda’s en kauwgom die hij van de Canadese soldaten kreeg. Kort daarna, toen hij aan de hand van tante Mien op de Middenweg bij Frankendael liep, zag hij, voor het eerst na die in duisternis gedompelde jaren, dat de straatlantaarns gingen branden. Een magisch moment voor de kleine Koster. Hij ervoer een ultiem gevoel van schoonheid. Daar, midden in de Watergraafsmeer, werd een liefde voor het clair obscur geboren, die de fotograaf in de dop nooit meer zou verlaten. Als kind keek hij al met de ogen van een kunstenaar.

Eerste camera: Agfa Silette

Na de Ulo ging hij naar de Amsterdamse Grafische School in de Dintelstraat, waar hij werd opgeleid tot lithograaf. Het was de bedoeling dat hij als beroep beelddragers voor de cliché-industrie zou vervaardigen.

Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon. Op zijn vijftiende had hij na lang zeuren zijn eerste camera gekregen. Een Agfa Silette, waar hij sindsdien onafscheidelijk mee was. Zijn eerste baan was in het Laboratorium voor Elektrotechniek en Microscopie aan de Mauritskade.

De Telegraaf

Na zijn militaire dienst, waarbij hij tot zijn vreugde bij de Fotodienst werd ingedeeld, kreeg hij een tip van een tante die een advertentie had gelezen, waarin de Telegraaf reproduktie-fotografen zocht. Zij had dit verbasterd tot reportage-fotografen en dat leek de jonge Koster wel wat. Hij werd aangenomen en moest tot zijn schrik met cliché-machines werken om beelddragers op zinken platen te zetten. Niks reportagefotografie. Terwijl hij dit vervelende werk deed, dacht hij maar aan één ding: hoe kom ik op de fotoredactie terecht?

Hiervoor moest hij wachten tot 22 november 1963, de dag dat Kennedy werd vermoord. Hij kwam op het lumineuze idee om met een stapel vers gedrukte kranten – met een foto van de moord prominent op de voorpagina – bij de uitgang van het Tuschinski theater te gaan staan. Vervolgens drukte hij de verbouwereerde bioscoopbezoekers, die nog niet van het wereldnieuws op de hoogte waren, een krant in de hand en fotografeerde hun onthutste gezichten. Een gouden greep die zijn verdere levensloop zou bepalen. Zijn foto’s werden afgedrukt en hij kreeg van hoofdredacteur Stokvis te horen dat hij – naast zijn werk op de reproductie-afdeling – voortaan als invaller op de fotoredactie mocht werken.

Onder kunstenaars

Hierna ging het bergopwaarts en kon hij de cliché-machines al snel vaarwel zeggen. Zijn belangstelling ging uit naar de kunstredactie en binnen de kortste keren mocht hij als fotograaf mee op pad met de toenmalige redacteur Ed Wingen, als er kunstenaars geïnterviewd moesten worden. Een van zijn eerste reisjes was naar Assen, waar Corneille de deuren van het Provinciehuis aan het beschilderen was. Het maakte diepe indruk op de jonge fotograaf en een levenslange fascinatie voor kunstenaars was geboren.

Torenhoog keek hij in het begin tegen ze op, niet vermoedend dat diezelfde Corneille decennia later zijn beste vriend zou worden. Vele andere kunstenaars zou hij in zijn Telegraaf-periode met zijn camera vastleggen. Om er maar eens enkele te noemen: Aat Veldoen, Anton Heijboer, Jan Sierhuis, Paul Citroen, Paul de Lussanet, Anton Martineau, Lottie van der Gaag, Karel Appel, Constant, Eugene Brands en ongeveer de hele Cobra-groep. Over diverse van deze kunstenaars heeft hij fotoboeken gepubliceerd.

John en Yoko

In 1969 liep hij Henk van der Meyden op de gang bij de Telegraaf tegen het lijf. Die vroeg hem om even mee te gaan naar de Utrechtsebrug om John Lennon en Yoko Ono te verwelkomen en te begeleiden naar het Hilton Hotel. Bij aankomst daar was zo ongeveer de hele Nederlandse pers vertegenwoordigd. John en Yoko zouden, als vredesboodschap, in een speciale suite een week lang in bed blijven. Nico had het geluk dat van der Meijden bij Hans Boskamp van EMI had afgedwongen dat de Telegraaf iedere dag een uur mocht komen interviewen en fotograferen. Zo kon de unieke reportage die Nico van het kunstenaarsstel maakte, ontstaan.

Hij kreeg de smaak van het kunstenaarswereldje te pakken en begon met zijn vrouw Marian Jaski, die ook bij de Telegraaf werkte, een samenwerking met Mia Husstege. Galerie Husstege-Jaski op de Westermarkt was geboren. Daarna heeft hij nog met Martin Fagel een galerie in de P.C. Hooftstraat gerund. Na een korte periode bij de kunsthandel van Jacob Brink op de
Prinsengracht, was de tijd rijp voor een eigen galerie. Het zou Galerie Jaski in de Spiegelstraat worden, die tot vandaag de dag nog steeds, onder de bezielende leiding van Robert van der Ham, bestaat.

Zakenpartner: Tom Okker

Door een toeval kwam hij, op een vlucht naar New York, waar hij Karel Appel moest fotograferen, naast de beroemde tennisser Tom Okker te zitten. Hoe hij het geflikt heeft is een raadsel, maar hij wist een aanvankelijk stuurse Okker, die het liefst alleen had willen zitten, gedurende de vlucht enthousiast te maken voor de kunsthandel, als een ideale manier om je geld te beleggen. Gewapend met twee tennisrackets en een nieuwe zakenpartner rijker, verliet Nico het vliegtuig.

Na zijn scheiding van Marian Jaski, bij wie hij inmiddels twee kinderen, Nicole en Christiaan, had gekregen, verliet hij hun boerderij in Wijdenes en vestigde zich in Amsterdam.
Als vrije jongen was de verleiding groot. Op iedere hoek van de straat zat wel een kroeg. Als de galerie sloot eerst maar eens naar Petit Bordeaux op de hoek van de Keizersgracht om daarna af te zakken bij Heuvel.

Het waren de jaren waarin het kunstenaarsleven zich in de kroegen en op de Kring afspeelde. En Nico, die nam er gretig aan deel. Na verschillende adressen in de binnenstad, waaronder drie huizen op de Prins Hendrikkade, kocht hij samen met een aantal andere kunstenaars een atelier in een nieuwbouwproject aan de Nieuwendammerkade in Amsterdam Noord. Hij is er nooit meer weggegaan en woont er in een, van de plinten tot het plafond, met kunst gedecoreerd huis, omlijst door een origineel Tuschinski tapijt. Je komt er ogen te kort.

De foto’s waarmee hij de Zilveren Camera en de World Press foto heeft gewonnen, hangen prominent aan de muur.
De inmiddels 85 jarige Koster is creatiever dan ooit en heeft onlangs nog een prachtig fotoboek over Sail Amsterdam gepubliceerd. Zijn lens is nog altijd zijn venster op de wereld.